Vaders en de opvoeding

De pedagogische betekenis van vaders

K.S. van Dijken en L.W.C. Tavecchio Kind en Adolescent 19 (1998), p. 68-77

Samenvatting

Aan de hand van veel voorkomende thema's over vaders en vaderschap in West-Europese en Amerikaanse literatuur schetsen wij in dit artikel de huidige opvattingen op dit gebied. Hierbij komen onder andere aan de orde de vraag of vaders de primaire zorg voor heel jonge kinderen kunnen hebben, de vraag of vaders en moeders inwisselbaar zijn, en de invloed van vaders op de ontwikkeling van het kind. In het algemeen zou er meer onderzoek moeten komen waarin vaders van alle sociaal-economische milieus zelf aan het woord komen en waarin de aandacht voor vader-kindinteractie niet beperkt blijft tot de vroege kindertijd.

Inhoud

• Vaders trekken de aandacht
• Zorg voor jonge kinderen
• Het effect van vader op de ontwikkeling van het kind
• Vaders en adolescenten
• Vader-dochter- en vader-zoonrelaties
• Toekomstig onderzoek
• Literatuur

Tot in het begin van de jaren tachtig waren vaders vaak afwezig in beschouwingen over de opvoeding en omtrent het ouderschap. Zo beschreef Lamb in 1975 vaders nog als 'forgotten contributors to child development' (Lamb, 1975, p. 246). In de wetenschappelijke en populaire publicaties van na de Tweede Wereldoorlog ontbreken vaders bijna volledig in de titels van boeken en tijdschriften gericht op ouders. Vaders met interesse voor ouderschap en opvoedingsaangelegenheden in het algemeen ondervonden weinig sympathie en er was voor hen weinig informatie om zich op te baseren. De betekenis van de moeder voor het jonge kind daarentegen is uitgebreid onderzocht, onder andere met behulp van observaties (Gerritsma, 1985). Verschillende wetenschappers, onder meer Ainsworth (1969), Bowlby (1969, Bowlby, 1973, Bowlby, 1980) en Spitz (1965), hebben theorieën over het fundamentele belang van moeders voor de ontwikkeling van jonge kinderen geformuleerd. Zelfs in veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek over ouders (bijvoorbeeld in de psychologie en pedagogiek) ging het in feite vaak over moeders. Gelles (1995) verwijst in dit opzicht naar het boek Patterns of child rearing van Sears, Maccoby en Levin, een klassieker over opvoeding uit 1957. Dit boek was gebaseerd op interviews met 379 moeders en, heel voorspelbaar, geen enkele vader. Een jaar eerder baseerde Goode (1956) zijn onderzoek naar echtscheiding op interviews met 425 moeders. De mening van gescheiden vaders werd blijkbaar niet de moeite waard gevonden. Ook in populaire werken over opvoeding zoals Brazeltons Infants and mothers (1969), een groot kassucces in de VS, was de aandacht gericht op moeders. Een recenter handboek van LeMasters en DeFrain (1989) over opvoeding, met meer dan 1000 bladzijden, bevat slechts vijf specifieke verwijzingen naar vaders (Gelles, 1995). De tijdschriften Ouders van Nu en Kinderen (en bijvoorbeeld ook het Amerikaanse Parents) gaan zelden of nooit over vaders en bijna alle advertenties in dit soort tijdschriften richten zich op moeders. De geringe aandacht voor vaders in wetenschappelijke en populaire artikelen en boeken wijt Gelles (1995) aan de volgende twee aannames:

• Moeders kunnen over het algemeen makkelijker geïnterviewd worden dan vaders. Bovendien zouden moeders in staat zijn om verslag te doen van en inzicht te geven in de gedachten, gedragingen en opvattingen van hun partners; daarom hoeven vaders niet meer geïnterviewd te worden.
• Vaders zouden niet van wezenlijk belang voor het opvoedingsproces zijn.

Gelles (1995) ziet de tweede aanname voortkomen uit de erfenis, sommigen zullen zeggen ballast, van de Freudiaanse theorie over ouderschap en kinderlijke ontwikkeling. Ook Parke (1996) ziet Freud als medeverantwoordelijke voor het negeren van vaders in het ontwikkelingspsychologische en pedagogische onderzoek. Ook het werk van de Britse kinderpsychiater Bowlby (1907-1990), aartsvader van de gehechtheidstheorie, heeft ertoe geleid dat de moeder als belangrijkste gehechtheidsfiguur werd gezien en dat vaders in dat opzicht grotendeels buiten beeld bleven.

Vaders trekken de aandacht

Recentelijk is van de kant van sociale wetenschappers de vader een serieuzer onderzoeksobject geworden. Reeds meer dan twintig jaar geleden werden daartoe belangrijke aanzetten gegeven door de ontwikkelingspsychologen Lynn (1974) en Lamb, Ed. (1976) in de vorm van invloedrijke publicaties waarin de vader een expliciete hoofdrol speelt. In beschouwingen over het vaderschap werd de vader lange tijd vooral gezien als de drager van het gezag; hij was de autoriteit in het traditionele gezin. Volgens deze opvatting hoorde de moeder de liefdevolle, koesterende figuur te zijn, die inspeelde op het gevoelsleven van het kind (Fagot, 1995). Volgens Knijn (1994) bestond in vroegere opvattingen de pedagogische bijdrage van de vader uit twee elementen, namelijk het introduceren van het kind in de buitenwereld, dat wil zeggen het kennismaken met en het overnemen van culturele en maatschappelijke regels en normen, en het vertegenwoordigen van de uiteindelijke autoriteit. Vaders invloed behoorde 'een indirecte te zijn en bemiddeld te worden door de moeder, die balanceerde tussen zijn mening over de opvoeding en haar eigen visie op het welzijn van de kinderen' (Knijn, 1994, p. 10). De laatste decennia is er een heroriëntatie op de pedagogische rol van vaders ontstaan. De positie van de vader als kostwinner en de moeder als verzorger van de kinderen staat ter discussie. In het algemeen wordt gevonden dat vaders zorgzamer moeten worden en meer affectief-emotioneel moeten ondersteunen (onder anderen Gerritsma, 1985; Popenoe, 1996). Dit idee is ook zichtbaar in het overheidsbeleid: naast het zwangerschapsverlof voor moeders, vindt in de meeste geïndustrialiseerde samenlevingen ook het vaderschapsverlof steeds meer erkenning en navolging. Het wordt, kortom, ouderschapsverlof. Uit een recent Nederlands onderzoek naar 80 vaders van kinderen jonger dan twaalf jaar (Knijn, Nunen & Avort, 1994) blijkt dat er op het moment drie ontwikkelingen met betrekking tot het vaderschap gaande zijn:

1. In het algemeen gaan vaders meer zorgen en minder werken.
2. Tussen vaders onderling zijn er grote verschillen, er is een grote variëteit waarneembaar met betrekking tot de combinatie werk en zorg. Zo onderscheiden Knijn en anderen (1994) de volgende vijf typen vaders: de werkers (combineren een fulltime baan met weinig tijd aan de kinderzorg), de overactieven (combineren een fulltime baan met veel tijd aan de kinderzorg), de combi's (combineren betaalde arbeid met zorg, zodanig dat de combinatie beperkt blijft tot circa 50 uur per week), de minimalen (combineren van weinig betaalde arbeid met weinig tijd aan de kinderzorg), en de zorgers (combineren van weinig betaalde arbeid met veel tijd aan de kinderzorg).
3. Zorg en arbeid zijn niet zonder meer complementair: sommige vaders die veel uren buitenshuis werken zorgen ook nog veel uren voor hun kinderen en sommige vaders die weinig uren buitenshuis werken besteden weinig tijd aan de zorg van hun kinderen.

Deze laatste ontwikkeling wordt ook beschreven door Furstenberg (1988). Hij wijst erop dat terwijl de media de aankomst van de 'nieuwe vader' - dat wil zeggen de verzorgende, warme en emotioneel afgestemde vader - met veel bombarie aankondigen, er tegelijkertijd ook meer vaders zijn die hun vaderschap minimaal invullen. Er is volgens hem sprake van een gelijktijdige verschijning op het toneel van de 'goede' en de 'slechte' vader. Toch gaan er ook stemmen op om de actieve participatie van vaders in het gezin te remmen omdat ze, om met Doornenbal e.a., 1994). Dowling e.a., 1994) blijkt dat de zorgende rol nogal eens tot veel ambivalentie en onzekerheid onder vaders leidt. De ambivalentie en onzekerheid kunnen voortkomen uit een gebrek aan vaardigheden, maar ze kunnen ook het resultaat zijn van de sociaal-culturele omstredenheid van het zorgend vaderschap. Nog steeds zien sommige mannen het zorgend vaderschap als niet passend bij echte mannelijkheid. Zo verwoordt een vader dat hij: '⃛ absoluut niet parttime [wil] werken. Ik weet niet, het lijkt me niks. Trouwens dan zou ik ook te veel met de baby moeten doen. Ik heb een leuke baby⃛ maar ik vind het leuk als mijn vrouw erbij is. Dat vind ik veel gemakkelijker' (Knijn e.a., 1994, p.82). In dit artikel geven wij een overzicht van enkele thema's afkomstig uit recent onderzoek naar de rol van vaders en hun specifieke bijdrage aan de opvoeding. Daarbij hebben we ons voornamelijk gebaseerd op West-Europese en Amerikaanse literatuur.

Zorg voor jonge kinderen

Kunnen vaders voor jonge kinderen zorgen?

Vooral over de taak van vaders van zeer jonge kinderen wordt in de literatuur heel verschillend gedacht. Verschillende auteurs zijn van mening dat vaders heel goed de primaire verzorgers van zeer jonge kinderen kunnen zijn: 'One thing is clear: fathers are perfectly capable of caring for children, even very young babies' (Parke, 1996, p. 256). Volgens Trad (1992) zijn de pedagogische capaciteiten van vaders van aantoonbaar belang voor de - ook heel vroege - ontwikkeling van het kind. Hij geeft aan dat vaders in staat zijn tot intuïtief gedrag, waaronder allerlei manieren van kijken, vasthouden en koesteren, en vocalisaties tijdens de interactie met het kind. Ze zijn volgens hem net als moeders in staat bedreigingen van de ontwikkeling van hun kind te voorzien. Trad (1992) stelt dat als resultaat van de hoeveelheid tijd die de vader aan interactie met het kind besteedt, de 'verwachte' voorkeur van een kind voor de moeder kan worden geminimaliseerd en praktisch volledig verdwijnt. Een concreet voorbeeld is te vinden bij de mannelijke leden van de Aka Pygmeeën van de Centraal Afrikaanse Republiek (Hewlett, 1987). Deze zorgende vaders houden hun baby's gemiddeld een uur per dag tegen zich aan, een hoog gemiddelde in vergelijking met veel andere culturen. Ook de Amerikaan Parke (1996) vindt niet dat de traditionele vader- en moederrollen biologisch vast liggen. Hij verwijst hierbij naar de Trobrianders van Melanesië en de Ilocos van de Filipijnen waar de zorgtaken voor kinderen evenredig verdeeld worden tussen vaders en moeders. Ook Eyer, 1993 stelt (1993) de notie van een natuurlijk aanwezige moederlijke gehechtheidsband met het kind ter discussie. De Franse onderzoekster Badinter valt haar daarin bij en schrijft dat '⃛ het moederinstinct bij de mens een mythe is' (Badinter, 1983, p. 234). In schril contrast met deze opvattingen staat de mening van Popenoe (1996). Hij schrijft dat moeders de primaire verzorgers moeten zijn van kinderen tijdens de eerste twaalf tot achttien maanden van hun leven. Als reden hiervoor ziet hij het geven van borstvoeding en volgens hem zijn vrouwen bovendien erfelijk gezien sensitiever ten opzichte van de behoeften van een nog niet verbaal kind. Zodra een kind in staat is om redelijk te verbaliseren, kan volgens Popenoe de vader de primaire verzorger worden. Er is ons weinig empirisch onderzoek bekend over vaders als primaire opvoeders van erg jonge kinderen. Gerritsma (1985) beschrijft een klein onderzoek op dit terrein waaruit naar voren komt dat kinderen die primair door een man worden opgevoed 'energieke, bekwame, en goed gedijende kinderen zijn, die vooral op hun gemak zijn in hun omgeving en die zich er door laten stimuleren' (Gerritsma, 1985, p. 21). Volgens Gelles (1995) hebben dit soort kinderen een groter geloof in eigen kunnen. Phares (1996) bespreekt een onderzoek van Dixon en anderen die lieten zien dat moeders en vaders van drie maanden oude baby's met succes met het kind interacteerden in een wederzijds gereguleerd, wederkerig patroon. Tegen de tijd dat het kind de peuterleeftijd bereikt, geven moeders en vaders het kind aanwijzingen op een manier die veel meer overeenkomst dan verschil laat zien (Yogman, Cooley & Kindlon, 1988). De resultaten uit dit onderzoek wijzen er overigens op dat de kwaliteit van de baby-vader- of baby-moederrelatie van meer belang lijkt te zijn dan het geslacht van de ouder die met het kind omgaat (zie ook Lamb, 1995). Ook in het beschrijvende onderzoek van Knijn en anderen, (1994 ) komt een aantal vaders voor die de rol van primaire opvoeder vervullen. In dit onderzoek gaat het om hoe de vaders het zorgen voor hun kinderen waarderen. Het blijkt dat ook al hebben deze vaders ontdekt dat de zorg voor kinderen leuk kan zijn, ze toch weer een baan willen als de kinderen groter zijn. Zijn vader en moeder onderling inwisselbaar?

Ook al geven veel auteurs aan dat vaders in staat zijn tot het verzorgen van kinderen, toch blijkt er vaak een gedragsverschil tussen vaders en moeders te bestaan, of zoals Parke schrijft: 'They [fathers] are not simply substitute mothers; mothers and fathers have distinct styles of parenting' (Parke, 1996 , p. 256). Uit veel onderzoek (onder meer Gerritsma, 1985; Fagot, 1995) blijkt, dat als vaders betrokken zijn bij de zorg voor kinderen, ze de voorkeur geven aan fysiek actieve bezigheden: sporten, fietsen, wilde en opwindende spelletjes. Wanneer moeders met kinderen spelen zijn het vaak meer ingehouden, kalmerende en traditionele spelletjes (Ladan, 1985). Ook binnenshuis zijn vaders in toenemende mate degenen die met de kinderen spelen, terwijl moeders het zorgaspect voor hun rekening blijven nemen (Fagot, 1995). Vaders raken dus betrokken bij de gezellige en relationele aspecten van de zorg voor kinderen en creëren daarmee een eigen activiteit binnen het gezinsleven, een ook in Nederland al langer bekend gegeven (zie Tavecchio & IJzendoorn, 1982). Verschillende auteurs leggen nadruk op de verschillen tussen vaders en moeders, terwijl Lamb (1995) juist aangeeft dat de verschillen tussen vaders en moeders aanmerkelijk minder groot zijn dan de overeenkomsten. Ouderlijke warmte, verzorging en intimiteit correleren volgens hem positief met positieve resultaten bij kinderen; het maakt hier niet uit of het om een moeder of een vader gaat. De belangrijke dimensies van ouderlijke invloed lijken volgens Lamb dus te maken te hebben met ouderkenmerken in plaats van met geslachtsgerelateerde kenmerken. Bovendien suggereert Lamb dat de kenmerken van individuele vaders - hun 'mannelijkheid', intelligentie, en zelfs hun warmte - in hun vormende waarde minder belangrijk zijn dan de kenmerken van de relaties die zij met hun kinderen hebben opgebouwd. Kinderen met veilige, sensitieve en wederkerige relaties met hun ouders hebben meer kans om in psychologisch opzicht goed aangepast te zijn dan kinderen van wie de relaties met hun ouders - vaders of moeders - minder bevredigend waren. Ten slotte benadrukt Lamb dat er niet zoiets bestaat als één enkele 'vaderrol', die alle vaders zouden moeten nastreven. Er is veeleer sprake van een variëteit aan vaderfuncties en -rollen, die pas goed kunnen worden begrepen als rekening wordt gehouden met de gezins-, subculturele en historische context waarbinnen zij gestalte krijgen (zie ook het openingsartikel van dit themanummer). Alhoewel er vaders zijn die, met vallen en opstaan, proberen deel te nemen aan alle aspecten van zorg voor de kinderen zijn deze vaders nog schaars: 'In reality, research suggests that women continue to be burdened with an unreasonably large share of childrearing activities' (Elkind, 1994, p. 54). Volgens verschillende auteurs (onder anderen Gerritsma, 1985; Lamb, 1995) is echter de hoeveelheid tijd die vaders en kinderen samen doorbrengen minder belangrijk dan wat ze met die tijd doen, dus kwaliteit prevaleert boven kwantiteit.

Het effect van vader op de ontwikkeling van het kind

Vaders leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de gender-identiteit van hun kind door hun persoonlijkheid, door te functioneren als rolmodel en door hun dagelijkse interacties met hun kind (Parke, 1996). Ook uit ouder onderzoek (o.a. Sears, Maccoby & Levin, 1957; Mussen & Rutherford, 1963) was al naar voren gekomen dat verzorging door de vader en de mate van zijn betrokkenheid bij de opvoeding belangrijker zijn voor de ontwikkeling van 'mannelijk' gedrag bij zonen dan de mate van mannelijkheid in het gedrag van de vader. De mannelijkheid van de vader correleerde ook met de 'vrouwelijkheid' van de dochter, maar ook in dit geval lijkt de vaderlijke warmte, verzorging en betrokkenheid bij de opvoeding doorslaggevend voor de 'vrouwelijkheid' van de dochter. Groen (1985) geeft aan dat de stevigheid van de gender-identiteit van de vader een belangrijke factor is in het tot stand komen van de gender-identiteit van het kind. Een vader met een wankele gender-identiteit zou ongeschikt zijn voor een goede ontwikkeling van de gender-identiteit van een kind. Met betrekking tot gender-identiteit suggereren Knijn en anderen, (1994) dat vooral mannen die niet twijfelen over hun mannelijkheid in staat zijn zich op het voormalige vrouwelijke domein van de kinderzorg te begeven. Lamb (1995) beschrijft dat vaders een gunstige invloed op kinderen hebben als ze ondersteunende en (ver)zorgende relaties met hen en met de andere kinderen uit het gezin hebben, als ze competent zijn en zich geslaagd voelen in hun verschillende rollen en als partner. Popenoe (1996) geeft aan dat vaders in belangrijke mate bijdragen aan de intellectuele competentie, het prosociale en medelevende gedrag en het psychologisch welbevinden van hun kinderen. Bovendien neemt Popenoe aan dat zonen, die worden opgevoed door betrokken vaders volwassenen worden die meer respect hebben voor vrouwen en die ook met vrouwen sociale macht en autoriteit willen delen. Hoffman (in Biller, 1993) constateerde dat dertienjarige jongens met een zwakke identificatie met hun vader lager scoorden op morele ontwikkeling en morele waarden dan jongens met een sterke identificatie met hun vader. Vaders lijken, meer dan moeders, de nieuwsgierigheid en ondernemingslust van het kind aan te moedigen (Gerritsma, 1985). Volgens Ladan (1985) dragen de lichamelijke en opwindende spelletjes die vaders met hun kinderen spelen bij aan de bevordering van het verwerken van nieuwe vaardigheden en de ontwikkeling van autonomie en exploratie. Door dit soort spelletjes nemen kinderen kennis van de werkelijke wereld van mensen en dingen. Concluderend valt te zeggen dat vaders een belangrijke invloed op de ontwikkeling van hun kinderen uitoefenen als zij in hun gedrag een belangrijke rol toekennen aan het zorgaspect.

Vaders en adolescenten

Net als hierboven beschreven werd voor jongere kinderen, fungeren vaders ook voor adolescenten als modellen voor transacties buiten het gezin. Uit onderzoek (Shulman & Klein, 1993) naar de rol van vaders in de adolescentie blijkt dat de tijd die vaders aan een adolescente zoon of dochter besteden ongeveer de helft tot een derde is van de tijd die moeders besteden aan adolescenten. Juist door deze mindere betrokkenheid en door het laten zien van respect voor het streven naar onafhankelijkheid van de adolescent fungeren vaders, volgens de auteurs, in deze ontwikkelingsfase als een adequaat model. Door deze kenmerken lijken vaders het proces van separatie en individualisering te vergemakkelijken: 'The father who puts a stronger emphasis on separateness within a relationship and allows for more individuality may therefore be an appropriate model at the stage of adolescence' (Shulman & Klein, 1993, p. 43). Ook geven Shulman & Klein (1993) aan dat adolescenten, over het algemeen, minder vaak conflictueuze relaties met hun vaders hebben dan met hun moeders. De adolescenten zelf geven aan dat ze hun vader niet als afwezig zagen, ondanks het feit dat hun vader duidelijk minder tijd aan hen besteedde dan hun moeder. Wanneer vaders de relatie met kinderen in de adolescente leeftijd beschrijven spreken ze nogal eens over 'joking and good humor' (Larson, 1993, p. 21). Door een te sterke nadruk op deze rol kunnen vaders de boot missen. Adolescenten houden hier minder van dan de vaders zelf en door vermaak als standaard te nemen missen vaders vaak datgene wat het meest gewaardeerd wordt door adolescenten. Vermaak creëert geen intimiteit en warmte. Vaders die negatieve emoties van hun kinderen tolereren worden als warm ervaren (Larson, 1993). Daarbij aansluitend vonden Paulson, Hill en Holmbeck (1991) dat zowel jongens als meisjes zeiden met hun moeder een meer intieme relatie te hebben dan met hun vader. De jongens in hun onderzoek vertoonden een sterkere identificatie met hun vader dan de meisjes en ze voelden zich ook meer bij hem betrokken. Vergeleken met de moeders zeiden de vaders een minder intieme relatie met hun kinderen te hebben. In een onderzoek bij driehonderd dertien- tot zeventienjarige adolescenten naar de communicatie met hun ouders, vonden Noller en Callan (1990) dat meisjes zeiden zich meer open te stellen voor hun moeder en ook meer voldoening te vinden in gesprekken met hun moeder dan met hun vader. Voor jongens was dit onderscheid tussen beide ouders afwezig. Over het algemeen initieerden moeders vaker dan vaders gesprekken met hun kinderen en werden ze als meer geïnteresseerd beschouwd. Meisjes spraken vaker met hun moeder dan jongens en jongens spraken vaker en openhartiger dan meisjes met hun vader over seksualiteit en alledaagse problemen. Ouders van adolescente dochters vonden de adolescentie een moeilijker ontwikkelingsfase dan ouders van adolescente zonen, terwijl vaders de adolescentie als over het algemeen minder moeilijk beschreven dan moeders. Phares (1996) vermeldt onderzoek van Oz en Fine, die vonden dat tienermoeders die tijdens hun middelbare schooltijd zwanger raakten, slechtere relaties met mannen (broers en vaders) en betere relaties met vrouwen (zusters en moeders) hadden. McDevitt, Lennon en Kopriva (aangehaald in Phares, 1996) vonden dat adolescenten significant minder stimulering van prosociaal gedrag rapporteerden van de kant van hun vader, in vergelijking met hun moeder. Het is, ten slotte, niet irrelevant om er op te wijzen dat uit onderzoek (Montemayor, McKenry & Julian, 1993) is gebleken dat de kwaliteit van de vader-adolescentrelatie negatief samenhangt met de mate van 'midlife stress' van de vader. Naast de ontwikkelingsfase van het kind speelt dus ook de ontwikkelingsfase van de vader een rol.

Vader-dochter- en vader-zoonrelaties

In de interacties tussen vaders en kinderen lijkt de aanvankelijke voorkeur van vaders voor het geslacht van het kind een belangrijkere rol te spelen dan bij moeders het geval is. Stattin en Klackenberg-Larsson (1991) presenteerden indringend bewijsmateriaal dat suggereert dat vaders wier geslachtsvoorkeur niet werd vervuld meer conflicten met het kind laten zien, vooral in het geval van dochters. Dit gold voor de relatie van vaders met dochters tussen vier en achttien jaar. Als er sprake was van een - minder gewenste - zoon deden de conflicten zich vooral voor als de zoon jonger was dan vier jaar. Moeder-kindrelaties leken nauwelijks beïnvloed te worden door de aanvankelijke geslachtsvoorkeur van de moeder. Phares (1996) trekt de conclusie dat de vader-dochterrelatie significant lijkt te worden beïnvloed door de aanvankelijke voorkeur van de vader voor het geslacht van zijn kind. Ook andere auteurs geven aan dat vaders anders reageren op dochters dan op zonen. Onderzoek in het Verenigd Koninkrijk naar het gedrag van vaders na de bevalling in het ziekenhuis laat zien dat ze een zoon langer aanraken dan een dochter en dat ze meer vocaliseren met een zoon dan met een dochter (Jackson, 1987). Groen (1985) geeft aan dat veel vaders trotser zijn bij de geboorte van een zoon dan bij de geboorte van een dochter. Ook later in de opvoeding lijken vaders verschillende aspecten in zonen en dochters te stimuleren. Volgens Jackson (1987) stimuleren vaders vooral de cognitieve (intellectuele) ontwikkeling van hun zonen, maar ze lijken meer emotioneel gehecht aan hun dochters. Daarentegen geeft Parke (1996) aan dat vaders juist de cognitieve en emotionele ontwikkeling van hun dochters vergroten - als voorbeeld geeft hij onder anderen Margaret Thatcher die in haar jeugd sterk aangemoedigd werd door haar vader.

Toekomstig onderzoek

Terecht brengt Fagot (1995) een probleem naar voren waar zeker rekening mee gehouden moet worden. Zij geeft aan dat veel van de huidige informatie over de rol van vaders afkomstig is van moeders. Daarnaast is de directe informatie van vaders zelf voor een onevenredig deel afkomstig van goed opgeleide vaders. Vaak betreft het in onderzoek de interactie in de vroege kindertijd. Dit vraagt dus om onderzoek waar de vaders uit alle sociaal-economische milieus zelf aan het woord kunnen komen en waarbij de interactie tussen vader en kind in alle leeftijdsfasen van het kind onderzocht moet worden. In het algemeen zou aandacht voor mannen en vaders gewoner moeten worden in onderzoek naar de opvoeding en ontwikkeling van kinderen in en buiten het gezin. Hierbij zou de vraag niet alleen moeten zijn wat de invloed is van een specifiek mannelijke rol in de opvoeding op de kinderen, maar zeker ook: welke aspecten van de mannelijke gender-identiteit verhinderen mannen om een bijdrage te leveren aan de opvoeding van de kinderen (Knijn, 1994)?

Literatuur

1. Ainsworth, M.D.S. (1969). Object relations, dependency and attachment: A theoretical review of the infant-mother relationship. Child Development, 40, 969-1025.

2. Badinter, E. (1983). De mythe van de moederliefde: Geschiedenis van een gevoel. Utrecht: Bijleveld.

3. Biller, H.B. (1993). Fathers and families: Paternal factors in child development. Londen: Auburn House.

4. Bowlby, J. (1969). Attachment and loss. Volume 1 : Attachment. New York: Basic Books.

5. Bowlby, J. (1973). Attachment and loss. Volume 2 : Separation, anxiety and anger. New York: Basic Books.

6. Bowlby, J. (1980). Attachment and loss. Volume 3 : Sadness and depression. New York: Basic Books.

7. Brazelton, T.B. (1969). Infants and mothers: Differences in development. New York: Dell.

8. Doornenbal, J. (1996). Ouderschap als onderneming: Moeders en vaders over opvoeden in de jaren negentig. Utrecht: Van Arkel.

9. Dowling, C. (1982). The Cinderella Complex. New York: Pocket Books.

10. Elkind, D. (1994). Ties that stress: The new family imbalance. Cambridge, MA: Harvard University Press.

11. Eyer, D.E. (1993). Mother-infant bonding: A scientific fiction. New Haven: Yale University Press.

12. Fagot, B.I. (1995). Parenting boys and girls. In M. H. Bornstein (Ed.), Handbook of parenting. Volume 1 : Children and parenting (pp. 163-184). Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

13. Furstenberg, F.E. Jr. (1988). Good dads - bad dads: Two faces of fatherhood. In A.J. Cherlin (Ed.), The changing American family and public policy (pp. 193-218). Washington, DC: Urban Institute Press.

14. Gelles, R.J. (1995). Contemporary families: A sociological view. Londen: Sage publications.

15. Gerritsma, H. (1985). Kinderen en hun vaders. In A. Ladan, P.J.G. Mettrop & W.H.G. Wolters (Red.), De betekenis van de vader: Psychoanalytische visies op het vaderschap (pp. 15-31). Meppel: Boom.

16. Goode, W. (1956). After divorce. Glencoe, IL: Free Press.

17. Groen, J.A. (1985). Het geslacht van de vader. In A. Ladan, P.J.G. Mettrop & W.H.G. Wolters (Red.), De betekenis van de vader: Psychoanalytische visies op het vaderschap (pp. 32-42). Meppel: Boom.

18. Hewlett, B.S. (1987). Intimate fathers: Patterns of paternal holding among Aka Pygmies. In M.E. Lamb (Ed.), The father's role: Cross-cultural perspectives (pp. 295-330). Hillsdale, N.J.: Erlbaum.

19. Jackson, S. (1987). Great Britain. In M.E. Lamb (Ed.), The father's role: Cross-cultural perspectives (pp. 29-58). Hillsdale, NJ: Erlbaum.

20. Knijn, T. (1994). Heeft het vaderschap nog toekomst? Een theoretische verkenning van veranderingen in het vaderschap. Familia, tijdschrift voor gezinsonderzoek en gezinsbeleid, 7-24.

21. Knijn, T., Nunen, A. van & Avort, A. van der (1994). Zorgend vaderschap. Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 20, 70-97.

22. Ladan, A. (1985). Over vaders en werk. In A. Ladan, P.J.G. Mettrop & W.H.G. Wolters (Red.), De betekenis van de vader: Psychoanalytische visies op het vaderschap (pp. 53-68). Meppel: Boom.

23. Lamb, M.E. (1975). Fathers: Forgotten contributors to child development. Human Development, 18, 245-266.

24. Lamb, M.E. (Ed.) (1976). The role of the father in child development. New York: John Wiley & Sons.

25. Lamb, M. (1995). Paternal influences on child development. In M.C.P. van Dongen, G.A.B. Frinking & M.J.G. Jacobs (Eds.), Changing Fatherhood: An interdisciplinary perspective (pp. 145-157). Amsterdam: Thesis Publishers.

26. Larson, R.W. (1993). Finding time for fatherhood: The emotional ecology of adolescent-father interaction. In S. Shulman & W.A. Collins (Eds.), Father-adolescent relationships (pp. 7-25). San Francisco: Jossey-Bass Publishers.

27. LeMasters, E.E. & DeFrain, J. (1989) Parents in contemporary America: A sympathetic view. Belmont, CA: Wadsworth.

28. Lynn, D.B. (1974). The father: His role in child development. Monterey, CA: Brooks/Cole Publishing Company.

29. Montemayor, R., McKenry, P.C. & Julian, T. (1993). Men in midlife and the quality of father-adolescent communication. In S. Shulman & W.A. Collins (Eds.), Father-adolescent relationships (pp. 59-72). San Francisco: Jossey-Bass Publishers.

30. Mussen, P. & Rutherford, E. (1963). Parent-child relations and parental personality in relation to young children's sex-role preferences. Child Development, 34, 589-607.

31. Noller, P. & Callan, V.J. (1990). Adolescents' perception of the nature of their communication with parents. Journal of Youth and Adolescence, 19, 349-362.

32. Parke, R.D. (1996). Fatherhood. Cambridge, MA: Harvard University Press.

33. Paulson, S.E., Hill, J.P. & Holmbeck, G.N. (1991). Distinguishing between perceived closeness and parental warmth in families with seventh-grade boys and girls. Journal of Early Adolescence, 10, 279-295.

34. Phares, V. (1996). Fathers and developmental psychopathology. New York: John Wiley & Sons.

35. Popenoe, D. (1996). Life without father: Compelling new evidence that fatherhood and marriage are indispensable for the good of children and society. New York: The Free Press.

36. Sears, R., Maccoby, E. & Levin, H. (1957). Patterns of child rearing. Evanston, IL: Row, Peterson.

37. Shulman, S. & Klein, M.M. (1993). Distinctive role of the father in adolescent separation-individuation. In S. Shulman & W.A. Collins (Eds.), Father-adolescent relationships (pp. 41-57). San Francisco: Jossey-Bass Publishers.

38. Spitz, R.A. (1965). The first year of life. New York: International University Press.

39. Stattin, H. & Klackenberg-Larsson, I. (1991). The short-and-long-term implications for parent-child relations of parents' prenatal preferences for their child's gender. Developmental Psychology, 27, 141-147.

40. Tavecchio, L.W.C. & IJzendoorn, M.H. van (1982). Taakverdeling bij ouders van jonge kinderen: Een onderzoek naar man-vrouw verschillen in het hedendaagse gezin. Bevolking en Gezin, 1, 19-48.

41. Trad, P.V. (1992). Interventions with infants and parents: The theory and practice of previewing. New York: John Wiley & Sons.

42. Yogman, M.H., Cooley, J. & Kindlon, D. (1988). Fathers, infants, and toddlers: A developing relationship. In P. Bronstein & C.P. Cowan (Eds.), Fatherhood today: Men's changing role in the family (pp. 53-65). New York: Wiley.

Copyright 2004, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten


cron