In welke fase bevindt mijn kind zich?

De ontwikkeling van baby tot en met basisschoolkind. Met een aantal vragen die je je zelf kunt stellen en daarop antwoorden.

Bron: http://plazilla.com/de-ontwikkeling-van-baby-tot-en-met-basisschoolkind

Van baby tot basisschoolkind

De baby: (0 jaar tot 1,5 jaar)

De ontwikkeling van de baby op lichamelijk, cognitief en sociaal affectief gebied.

Lichamelijke ontwikkeling:
- Lichaamsverhoudingen worden normaler
- Alle zintuigen ontwikkelen zich
- Van reflexmatig naar zelfstandig lopen en pakken

Cognitieve ontwikkeling:
- Ervaren, herhalen, imiteren
- Leren via de tast (vooral de mond)
- Taal: van geluidjes naar tweewoordzinnen

Sociaal affectieve ontwikkeling:
- Van allemansvriend naar eenkenningheid
- Hechting aan stabiele, betrouwbare verzorger
- Ontwikkeling eigen persoonlijkheid
- Contact met baby’s lichaamstaal
- Zintuiglijk genot

De peuter: (1,5 jaar tot 4 jaar)

De ontwikkeling van de peuter op lichamelijk, cognitief en sociaal affectief gebied.

Lichamelijke ontwikkeling:
- Groeitempo neemt af (en daarmee ook eetlust)
- Voornamelijk breedtegroei
- Vooral ontwikkeling van grove motoriek
- Beheersing sluitspieren (zindelijk)

Cognitieve ontwikkeling:
- Denken in pre-operationele fase
- Magisch denken
- Taalontwikkeling in differentiatiefase
- Sterke exploratiedrang

Sociaal affectieve ontwikkeling:
- Ontstaan ik-besef (egocentrisch)
- Driftig en koppig
- Begin gewetensontwikkeling
- Speelt graag naast anderen (nog niet echt samen)
- Ontstaan van vriendschappen
- Veel angst en fantasie
- Lust is gekoppeld aan zindelijk worden

De kleuter: (4 jaar tot 6 jaar)

De ontwikkeling van de kleuter op lichamelijk, cognitief en sociaal affectief gebied.

Lichamelijke ontwikkeling: - Vooral in lentegroei en spiergroei
- Ontwikkeling in de fijne motoriek
- Ontstaan handvoorkeur

Cognitieve ontwikkeling:
- Denken in pre-operationele fase
- Zinnen maken
- Nog veel fantasie

Op sociaal affectieve ontwikkeling:
- Samen spelen, samen delen
- Sterke identificatie
- Verwerking angst en emoties in fantasiespel
- Begin van intern geweten
- Ontwikkelen eigen identiteit
- Aandacht voor geslachtsdelen

Het jonge schoolkind: (6 jaar tot 9 jaar)


De ontwikkeling van het jonge schoolkind op lichamelijk, cognitief en sociaal affectief gebied.

Lichamelijk gebied:
- Meer ‘volwassen’ lichaamsverhouding
- Goede oog-hand coördinatie
- Grote bewegingsdrang

Cognitieve ontwikkeling:
- Denken in concreet-operationele fase
- Begin abstract denken
- Fantasie maakt plaats voor realiteit
- Enorm leergierig
- Ingewikkelde zinnen

Sociaal affectieve ontwikkeling
- Gericht op vriendjes van eigen sekse
- Rolverdeling in groep
- Prestatie gericht
- Houdt emoties verborgen
- Ongehoorzaamheid

Het oudere schoolkind: ( 9 jaar tot 12 jaar)

De ontwikkeling van het oudere schoolkind op lichamelijk, cognitief en sociaal affectief gebied.

Lichamelijk gebied:
- Harmonieuze lichaamsverhouding
- Verschil jongens en meisjes
- Fijne en grove motoriek goed ontwikkeld

Cognitieve ontwikkeling:
- Denken in concreet-operationele fase
- Vermogen tot zelfreflectie
- Leergierig en prestatie gericht

Sociaal affectieve ontwikkeling - Peergroup erg belangrijk
- Identificatie met idolen
- Ontwikkeling in normen en waarden
- Pesten komt veel voor
- Latentie fase op seksueel gebied

Wat is het zelfbeeld en bewustzijn en hoe zie of merk je dat?

Ons zelfbeeld is niet onze werkelijke authentieke identiteit, maar slechts een sociale gebonden denkbeeld, deel van ons ego en van onze persoonlijkheid. Die of datgene, wat we ons inbeelden te zijn in relatie tot anderen. Het is over het algemeen een denkbeeld waar we ons mee identificeren om door anderen goed gekeurd en gewaardeerd te worden. Dit zie je vooral bij het oudere schoolkind. Je kunt zien dat zij zich vaak identificeren met een idool. Om zo bij de groep te horen en geaccepteerd te worden. Maar ook zie je dit al bij de kleuter. Doordat deze beseft wat goed of fout is weet hij wie hij is en wat hij wel en niet kan.

Bewustzijn wordt omschreven als subjectieve reflectie op indrukken uit de buitenwereld (weten van wat je ziet, hoort of voelt en daarover kunnen vertellen) of op je eigen mentale processen (weten van wat er in je omgaat en daarover kunnen vertellen). Bewustzijn is een toestand van de geest die gekenmerkt is door een besef van het eigen ik en de omgeving. Dit zien we vooral gebeuren bij het jonge schoolkind. Fantasie maakt plaats voor realiteit. Dit ontwikkeld zich verder gedurende het oudere schoolkind.

Wat mag je verwachten van zijn gewetensvorming?

Op 3 jarige leeftijd begint het geweten zich te ontwikkelen. het kind weet dan wat goed en slecht is. het overziet echter de reden nog niet waarom iets goed of slecht is. het experimenteert ermee en overziet daarbij nog niet de gevolgen van wat het doet. De oudere kleuter krijgt besef van wat goed of fout is, lief en stout, juist of onjuist en krijgt zo ook een schuldgevoel. Waar de kleuter nog dacht ‘mag niet van mamma’, daar denkt de kleuter ‘ik ben stout geweest’. Zo verwerft de kleuter een zelfbeeld: zo ben ik, dat kan ik en dat kan ik niet. Is een peuter bij het onderscheid van wat mag en niet mag nog sterk afhankelijk van volwassenen, een kleuter kan dit onderscheid al maken op grond van zijn eigen geweten. Zijn geweten is echter nog niet perfect en bovendien is een kleuter erg impulsief. Hij zal dus nog vaak ‘de fout ingaan’.

Welke verwachtingen heb je t.a.v. communicatie?

De baby leert als eerst klanken te herkennen. Met 6 weken begint hij andere geluiden te maken dan huilen. Hij probeert dan de geluiden van anderen te imiteren. Eerst herkent hij de klinkers. Daarna de medeklinkers zoals r, t, en d. Na 6 maanden kan hij klinkers en medeklinkers tegelijkertijd uitspreken. Na 8 maanden begrijpt de baby dat bepaalde klanken bij elkaar horen en samen een woord vormen, maar hij kan zelf nog geen woord zeggen. Dit heet de passieve taalkennis. Van het 1e tot het 2e jaar krijgt het kind actieve taalkennis. Dat wil zeggen dat het de woorden die het kent ook goed kan gebruiken. De eerste woorden hebben betrekking op dieren, personen, voorwerpen en handelingen.

Op de leeftijd van 2 gebruikt de peuter woordcombinaties en begrijpt hij eenvoudige aanwijzingen. Op 3 jarige leeftijd praat hij in zinnen. Hij leert dat er een relatie is tussen verschillende woorden en dat zij samen een zin vormen. Hij beantwoord ook eenvoudige vragen. Aan het eind van de peutertijd begrijpen de meeste kinderen voorzetsels en gebruiken ze voegwoorden. Omdat de woordenschat nog niet groot genoeg is, verzint een peuter ook zelf woorden. Hij leert dat je taal kunt gebruiken om gevoelens uit te drukken en te vertellen wat hem bezig houdt. Rijmpjes en taalspelletjes zijn erg gelieft.

Een kleuter bevindt zich in de differentiatiefase. Een kleuter kent de basis regels van taal maar heeft nog oefening nodig in de praktijk. De woordenschat wordt groter en de zinnen worden ingewikkelder. De manier waarop in de omgeving gepraat wordt, heeft hier grote invloed op. Hij begint interesse te krijgen in lezen en schrijven. Rond het 5e levensjaar verdwijnt de kinderlijke articulatie en spreekt de kleuter de zinnen min of meer normaal uit. Hij gebruikt hele zinnen van meer dan 6 woorden

Het jonge schoolkind is in de fase van voltooiing gekomen. Hij kan zich goed uitdrukken, kent de taalregels en maakt steeds ingewikkelder zinnen. Hij begint te schrijven, kan werkwoordsvormen gebruiken en het meervoud.

De taalontwikkeling van het oudere schoolkind gaat natuurlijk gewoon door, maar het gaat niet meer zo snel als in zijn eerste levensjaren. Zinsconstructies worden ingewikkelder en de woordenschat neemt toe. Kinderen die veel lezen zijn vaak verder in hun taalontwikkeling dan kinderen die dat niet doen.

Hoe is de motoriek in deze fase, wat mag je verwachten?

De baby leert het eerste anderhalf jaar van zijn leven enorm veel. Bewegen gebeurt in de eerste instantie reflexmatig. Na enkele weken tot maanden verdwijnen deze onbewuste bewegingen en maken plaats voor bewuste bewegingen die worden aangestuurd door spieren. Door te oefenen leert het kind de bewegingen te beheersen. Onderlinge verschillen in de motorische ontwikkeling zijn in deze fase erg groot.

De peuterleeftijd is de periode waarop kinderen voortdurend in beweging zijn. Oefening baart kunst. Het leren lopen is in deze periode van grote betekenis. Peuters klimmen en klauteren graag. Ook wordt er op deze leeftijd een begin gemaakt met gooien en schoppen van een bal. Deze ontwikkeling wordt gevolgd door het leren vangen van een bal. Dit betekend dat de peuter een grove motoriek ontwikkelt waarbij hij de grotere spiergroepen en die spieren dicht bij de romp al redelijk kan aansturen. De fijne motoriek blijft nog achter. De peuter leeft in deze fase om zindelijk te worden. De meeste kinderen zijn overdag zindelijk tussen 2 en 3 jaar en ’s nachts tussen 2,5 en 4,5 jaar.

De kleuter heeft nog steeds een grove motoriek, hoewel de motorische vaardigheden steeds beter worden. Hij rent zonde te vallen en kan goed klimmen. Het evenwichtsgevoel gaat ook flink vooruit. Vooral de fijne motoriek ontwikkelt zich op deze leeftijd. Zo leert de kleuter veters te strikken, een potloot vast te houden en gedetailleerde tekeningen te maken. Een belangrijk aspect van de motorische ontwikkeling is dat van de handvoorkeur.

Het jonge schoolkind:
Langzaam verbetert het evenwicht en de coördinatie, waardoor het kind zich wat lichter en eleganter beweegt. De fijne motoriek gaat met sprongen vooruit en beide handen kunne onafhankelijk van elkaar gebruikt worden. Het handschrift van het jonge schoolkind ziet er vaak prima uit. Dat komt omdat de oog-hand coördinatie, de afstemming tussen zien en handelen sterk is verbeterd.

Het oudere schoolkind:
Zowel de fijne als de grove motoriek is in deze leeftijdsfase uitstekend. De oog-hand coördinatie is goed en de kinderen kunnen uiterst nauwkeurig werken bij bijvoorbeeld schrijven of knippen. In deze leeftijdsfase hebben kinderen een groot uithoudingsvermogen en vinden ze sport leuk.

Wat mag je verwachten van het denk en leervermogen en hoe stimuleer je het?

Na de geboorte ontwikkelt een baby zich enerzijds door rijping (tot ontwikkeling komen), en anderzijds door leren (begrijpen/zich eigen maken). Bij leren is het belangrijk dat het kind eraan toe is. pas als het kind voldoende gerijpt is, voldoende toegerust is, heeft oefening (leren) zin. Het proces van rijping is te beïnvloeden. De ontwikkeling van baby’s kan gestimuleerd worden door een interessante omgeving, die rijk is aan prikkels. Dit maakt het kind actief. De baby leert in het begin van zijn leventje veel via zijn zintuigen. De tast, met name de mond, speelt hierin een belangrijke rol. Via de tast leert de baby dat sommige dingen zacht en sommige dingen hard zijn. De hele huid van de baby is gevoelig voor aanraking. Voor de baby is het dan ook erg belangrijk om aangeraakt, gemasseerd en geknuffeld te worden.

Peuters vertonen sterk exploratiegedrag. Ze willen alles onderzoeken. Hierdoor maakt de peuter op cognitief gebied een enorme ontwikkeling door. Een peuter denkt nog erg concreet. Hij kan alleen nadenken over waar hij mee bezig is, over wat hij op dat moment ziet. Zijn belevingswereld is fantasierijk. De peuter leert vooral door te doen. vanaf ongeveer 2 jaar zien we bij de peuter veel imitatiespel en fantasiespel. Door veel herhaling raakt de peuter vertrouwd aan een bepaald thema.

Kleuter:
Fantasie is kenmerkend voor een kleuter. In het denken van de kleuter is van alles mogelijk waardoor hij wel eens jokt. Dit doet hij om een onmogelijke wens toch te vervullen, om zichzelf gerust te stellen of om een oplossing te vinden voor een vraag. Jokken is iets anders dan liegen. Bij liegen spreekt iemand opzettelijk niet de waarheid. Het heeft dan ook geen zin de kleuter te straffen voor jokken.

Het jonge schoolkind:
Bij het jonge schoolkind wordt het denken abstracter. In deze periode is het belangrijk volop kansen te bieden om hun taalvaardigheid te ontwikkelen. rond de leeftijd van 7 jaar veranderd ook de geheugen ontwikkeling. Het jonge schoolkind kanmeer en beter dingen onthouden, doordat het strategieën gaat ontwikkelen om dingen te onthouden. Je stimuleert dit door veel met het kind bezig te zijn qua taalvaardigheden.

Het oudere schoolkind:
De ontwikkeling van het denken van concreet naar abstract word in deze periode voltooid. Het oudere schoolkind is goed in staat om abstract te denken. Het oudere schoolkind is daarnaast ook in staat te reflecteren. Het kind kan na denken over de gevolgen van eigen en andermans denken en handelen. Het leervermogen gaat na de periode van het jonge schoolkind gewoon door. Dit gaat alleen niet meer zo snel als in de eerste levensjaren. Je stimuleert het door kinderen te motiveren om veel boeken te lezen omdat de taalontwikkeling hierdoor beter ontwikkeld.

Welk speelmateriaal gebruik je in de fase, hoe bepaal je of het zal aanslaan?

Peuter:
Het spelgedrag van een peuter is erg egocentrisch. De peuter is niet in staat tot samenspel, omdat het hem nog niet lukt zich in een ander te verplaatsen. Wel zie je dat de peuter nabijheid van andere kinderen zoekt. Hij speelt graag in nabijheid van anderen, maar nog niet samen met die andere. Wel zie je dan dat ze elkaar imiteren. Bij peuters zie je veel fantasiespel.

Kleuter:
In deze fase gebruik je veel fantasie spelen. Maar wel spelletjes die samen gespeeld kunnen worden. Omdat het sociale gedrag op deze leeftijd zich erg ontwikkeld. Je kunt denken aan spelletjes zoals vader en moeder spelen, schooltjes spelen, doen alsof spelletjes.

Het jonge schoolkind:
In deze fase zijn groepsspelen met eenvoudige spelregels erg goed mogelijk. Hierbij vraagt het jonge schoolkind wel om een strakke leiding en duidelijke grenzen. In deze fase spelen meisjes met meisjes en jongens met jongens. In deze fase wordt er druk geexperimenteerd met bijv. make-up. Het leveren van prestaties is erg belangrijk. Bij falen probeert het kind dit te compenseren met iets waarin het uitblinkt. Spelen met wedstrijd elementen zijn favoriet. Het kind wil namelijk succes ervaren. Bijv. soldaatjes spelen.

Het oudere schoolkind:
Leeftijdsgenoten zijn in deze fase erg belangrijk. Echte vriendschappen worden in deze periode gesloten. Ook de zelfstandigheid wordt een stuk groter. Het is dus belangrijk dat het kind bij de organisatie van een activiteit verantwoordelijkheden krijgt.

Ieder kind is anders en heeft weer andere interesses. Het ene kind zal het ene spel dan ook leuker vinden als het andere kind. Of spel zal aanslaan zul je ontdekken door het gewoon te doen. Kinderen geef snel genoeg feedback op wat ze wel en niet leuk vinden.


cron